Hernieuwbare energiebronnen zijn hot. Steeds meer berichten bereiken ons van magazijnen die uitgerust worden met zonnepanelen bijvoorbeeld. Ook vastgoedontwikkelaar ProLogis wil de groene trein niet missen. “Maar,”, benadrukt Graham Reece, senior vice-president development services van ProLogis, “het gros van de energiebesparingen die we kunnen realiseren, komt voort uit een goed design en een efficiënte inrichting van het logistieke vastgoed.” Daarmee wil ProLogis niet gezegd hebben dat het niet investeert in hernieuwbare energiebronnen. Het tegendeel is waar, maar dergelijke investeringen worden op een globale schaal, en niet noodzakelijk op projectmatige basis overwogen.
Tijdens de jaarlijkse Supply Chain Summit van Capgemini gaf Graham Reece de visie van ProLogis mee op het vlak van groene investeringen. In eerste instantie streeft de vastgoedontwikkelaar er naar om gebouwen te ontwikkelen die dankzij hun design en inrichting bijdragen tot een lager energieverbruik. “Voor het realiseren van lagere energiekosten en een daling van de CO2-uitstoot zorgen wij er in de eerste plaats voor dat de energie die gebruikt wordt voor de operaties in de gebouwen zo optimaal mogelijk wordt benut. We zullen de toekomstige gebruikers van onze gebouwen er steeds attent op maken hoe ze de installaties in het gebouw, zoals die voor verwarming, verlichting en ventilatie, zo optimaal mogelijk kunnen instellen en controleren. Van bij de bouw van onze gebouwen zullen wij ook testen uitvoeren om na te gaan waar nog eventuele ‘lekken’ zijn waardoor warmte verloren kan gaan. Meteen ingrijpen is dan de boodschap”, legt hij uit.
Randvoorwaarden voor hernieuwbare energie
Als de gebouwen er zich toe lenen, zullen zeker ook de mogelijkheden op het vlak van hernieuwbare energiebronnen bestudeerd worden. Zo heeft ProLogis voorbeelden van een site die uitgerust is met muurverwarming op basis van zonne-energie en een site waarin gebruik wordt gemaakt van een biomassaboiler.
G. Reece: “Die muurverwarming ontstaat door de buitenmuren van een extra laag te voorzien, zodat een holte ontstaat tussen de twee bekledingen. In landen met veel zonneschijn, zoals Canada of Polen, kan de stralingswarmte de lucht in de holte verwarmen. Door die verwarmde lucht vervolgens in het gebouw binnen te trekken, hoeft er binnen minder hard verwarmd te worden. Maar dergelijke projecten zullen we enkel uitvoeren als we dat op een efficiënte en rendabele manier kunnen doen. We gaan niet zomaar overal met biomassaboilers werken. Enkel als die biomassa voorhanden en efficiënt aanwendbaar is op de site in kwestie.”
“We hebben uit ervaring geleerd”, gaat hij verder, “dat je behoorlijk wat schaalgrootte nodig hebt om op een efficiënte manier van hernieuwbare energiebronnen gebruik te maken. Je moet namelijk niet alleen rekening houden met de return on investment maar ook met de return on energy. Met andere woorden: de verhouding tussen de hoeveelheid energie nodig om dergelijke installaties te plaatsen en de mogelijke energiewinsten moet kloppen. Vandaar dat wij niet bij elk project standaard zullen bestuderen of er zonnepanelen op het dak moeten komen. We focussen onze aandacht op een aantal grote zogenaamde powerplants in Spanje, Frankrijk, Duitsland en Californië (VS). Gebieden waar de zon vaak schijnt, en waar we bijgevolg de hoogste opbrengsten uit onze zonne-installaties kunnen halen. We hebben met verschillende externe partners, zoals grote nutsbedrijven, overeenkomsten gesloten en formules uitgewerkt waarbij wij die powerplants hosten op de daken van onze gebouwen. Dat is de enige rendabele manier om de kosten die ermee gepaard gaan te rechtvaardigen.”

Prologis heeft uit ervaring ondervonden dat je behoorlijk wat schaalgrootte nodig hebt om op een efficiënte manier van hernieuwbare energiebronnen gebruik te maken. Niet alleen de return on investment moet in rekening worden gebracht maar ook met de return on energy.
Energie- en milieucertificaten
Wel een regel die globaal van toepassing is voor ProLogis is dat alle gebouwen gecertificeerd worden volgens de gangbare groene standaarden. Elke regio heeft zijn eigen norm. In de VS bijvoorbeeld is dat de LEED-norm, in Europa BREEAM (voor het VK en het gros van de landen op het Europese vasteland) en DGMB, een nieuw ratingsysteem voor de Duitse markt.
G. Reece: “Die normen beoordelen het gebouw op verschillende punten: de gebruikte materialen, de bouwwijze, de energie die bij het bouwen wordt verbruikt, de verwerking van bouwafval en afvalmanagement in het algemeen, het gebruik van recycleerbaar materiaal, de manier waarop het gebouw in de omgeving wordt ingeplant, het waterverbruik, enz. Er wordt ook bijzonder veel aandacht besteed aan transport en innovatie. Hoe beter de site aangesloten is op het lokale openbare vervoersnetwerk, hoe hoger de score. Als iedere werknemer verplicht is om met zijn eigen wagen te komen werken, dan heeft dat een heel grote impact op de ecologische voetafdruk van de operaties in de gebouwen. Ook aan innovatie wordt veel belang gehecht. Alle innovatieve groene initiatieven worden mee in rekening gebracht tijdens het assessment.”
Verder is ProLogis ISO 14001 gecertificeerd en voldoet het bedrijf aan de EPC-regelgeving (Energy Performance Certificate), die sinds 2005 van kracht is. “Na de goedkeuring ervan kregen de Europese lidstaten nog drie jaar de tijd om de EPC-richtlijn te implementeren. Dus sinds begin 2009 valt er niet meer aan te ontsnappen. Het VK staat daar al redelijk ver in, Nederland loopt wat achterop. Het certificaat vermeldt niet alleen hoeveel energie het gebouw verbruikt, maar formuleert ook aanbevelingen over hoe de efficiëntie verder kan worden verbeterd. Bijvoorbeeld op het vlak van verlichting, verwarming, enz. Op die manier kan de uitbater zijn operationele kosten drukken. Tot slot geeft het ook een duidelijk beeld van de CO2-emissie die veroorzaakt wordt door de exploitatie van het gebouw. Tegen eind 2011 moet van elke van onze 12 miljoen vierkante meter vastgoedoppervlakte in Europa gekend zijn wat het feitelijke energieverbruik van het gebouw is. Die informatie kan dan gebruikt worden als benchmark om te vergelijken welke gebouwen efficiënter zijn dan andere, welke regio’s beter scoren, welke bouwmethodes het beter doen, … Vervolgens kunnen we die informatie doorspelen aan onze klanten, zodat we samen met hen kunnen werken aan het efficiënter benutten van de gebouwen. Positief aan het certificatiesysteem is dat het mee evolueert met de tijd. Gebouwen die twee jaar geleden een topscore kregen, zullen die vandaag, volgens de huidige normen, misschien niet meer krijgen. Het systeem is er echt wel op gericht om de energie-efficiëntie van de gebouwen blijvend te verhogen”, besluit Reece.